Drie maanden in Hongarije en Roemeni

De familie Dewit fietste in 2006 met hun drie kinderen
maar liefst drie maanden door Hongarije en Roemenië.
Met een aantal brieven hielden ze het thuisfront op de
hoogte van hun reis.


Brief 1

(Aan het Tiszameer, 10 juli 2006)

Beste allemaal,

Nog een paar dagen fietsen en we zijn Hongarije helemaal door. Dus tijd om eens iets van ons te laten horen.
De busrit naar Oostenrijk is vlot verlopen. De bus zat slechts halfvol. Een luxe dus. In Oostenrijk viel de hitte op ons. Maar na enkele dagen kregen we er regen voor in de plaats. Zo erg zelfs dat we ons op een bepaald moment vastreden in de modder. Toen zaten we al over de Hongaarse grens. Moraal: vermijd de onverharde wegen (vooral als het regent of geregend heeft).

De macadam hier is echter niet altijd veel beter.Soms moeten we ons zo goed op de weg concentreren om de putten te vermijden dat we niet meer echt van de omgeving kunnen genieten. Dat, in combinatie met de hitte (intussen schijnt de zon weeral volop, > 30 graden in de schaduw), maakt het fietsen heel vermoeiend. De kinderen fietsen echter (gelukkig) moedig door. Zo doen we dagafstanden van 50, soms zelfs meer dan 60 km. En dat is meer dan voorzien in onze planning.

Aan het Velencei- tó, een meer halverwege het Balatonmeer en Boedapest hielden we een eerste dag rust. D.w.z. waterpret voor de kinderen, kleren wassen en fietsen nazien voor ons.

Intussen zijn we de Donau overgestoken met een gammele veerboot, en de Tisza (één van de grootste zijrivieren van de Donau) over een spoorwegbrug. Als er een trein aankomt, moeten auto's en fietsen even wachten. Er wordt trouwens relatief veel gefietst in Hongarije. Het land is dan ook grotendeels plat. Die vlakte, de poesta, is voor het grootste stuk één grote voorraadschuur. We zien dagen na elkaar enorme akkers met graan, mais en zonnenbloemen.

De kleinere dorpen doen ons soms denken aan het decor uit een westernfilm. De hoofdweg bestaat wel uit macadam, maar de zijstraten zijn onverhard. Veel stof, voetpaden ontbreken. Een postkantoor met tralies voor deur en vensters, enkele bars en een winkeltje. Die dorpen hebben bijna onuitspreekbare namen (voor ons althans), zoals Jászelsószentgy?rgy. Hongaars is trouwens geen simpele taal. Je kunt bijna nergens een verband vinden met een andere bekende taal. Het lijkt m.a.w. nergens op. Maar met wat talengoesting weten we (Veerle, Soetkin en Rik vooral) er wel raad mee. Goeiedag, bedankt, tot ziens en tellen tot 3 (Soetkin al tot 10) kunnen de kinderen ook al.

(Hortobágy, 13 juli 2006)

Nu zijn we in Hortobágy, het centrum van het Hortobágyi Nemzeti (nationaal) Park. Hier wordt het poesta-leven van weleer levendig voorgesteld. In het Pásztormuzeum zagen we hoe de herders hun werk doen en deden. Er werden hier vroeger paarden, runderen, schapen en varkens gehoed. Grootschalige landbouw en het communistische systeem betekenden vanaf de jaren '40 van vorige eeuw de teloorgang van dit boerenleven. Tegenwoordig zijn er opnieuw een 300-tal herders aktief in het nationaal park. Gisteren zagen we nog een demonstratie door enkele paardenhoeders. 't Was dan wel voor de toeristen, maar toch vrij indrukwekkend.

Morgen vertrekken we uit dit toeristische oord(je). Als het meezit zijn we over 4 of 5 dagen in Roemenie (sorry, geen trema te vinden op dit Hongaarse klavier). Benieuwd hoe het daar is.

Viszontlátásra

Geert, Veerle, Tijl, Rik en Soetkin

P.S. Vandaag, na 700 km, eerste platte band geplakt.